Wat het onderzoek van Kevin Hall ons leert over eetgedrag en verslaving
Wat gebeurt er als je mensen twee weken lang alléén maar ultrabewerkt voedsel geeft? En wat zegt dat over het effect van dit soort voeding op ons eetgedrag en gewicht? De Amerikaanse onderzoeker Kevin Hall, werkzaam bij het National Institutes of Health (NIH), ontwierp in 2019 een uniek experiment om die vragen te beantwoorden. En hij ging verder: in 2021 publiceerde hij een analyse over de verslavende eigenschappen van voedsel. Zijn bevindingen behoren tot de belangrijkste van de afgelopen tien jaar in de voedingswetenschap.
Het experiment: twee identieke diëten, maar één verschil
In zijn inmiddels beroemde studie uit 2019 nodigde Hall twintig proefpersonen uit voor een verblijf van vier weken in een gecontroleerde onderzoeksfaciliteit. De deelnemers kregen twee diëten aangeboden, elk gedurende twee weken, in willekeurige volgorde. Belangrijk: beide diëten waren identiek in calorieën, macronutriënten (eiwitten, vetten en koolhydraten), vezels, zout en suiker. Het enige verschil was de mate van bewerking van het voedsel:
- Het ultrabewerkte dieet bestond uit producten als witbrood, ontbijtgranen, kant-en-klaarmaaltijden en bewerkt vlees.
- Het minimaal bewerkte dieet bevatte onder andere vers bereide kip, volkoren pasta, groenten, fruit en noten.
De deelnemers mochten zoveel eten als ze wilden (ad libitum). Alles werd gewogen en nauwkeurig bijgehouden.
De uitkomst: 500 kcal verschil per dag
Het resultaat was opvallend. Tijdens het ultrabewerkte dieet aten de deelnemers gemiddeld 508 kilocalorieën meer per dag dan tijdens het onbewerkte dieet. Ze kwamen in gewicht aan en hadden een toename van lichaamsvet. Tijdens het andere dieet verloren ze juist gewicht. En dat, terwijl ze niet gedwongen werden om minder of meer te eten — het effect kwam puur vanuit onbewuste overconsumptie.
Wat verklaart het verschil?
Hall en zijn team concludeerden dat het effect niet alleen te maken heeft met calorieën of vet/suiker/zoutgehalte, maar met de mate van bewerking. Mogelijke verklaringen:
- Eettempo: deelnemers aten sneller bij het ultrabewerkte dieet, waardoor het lichaam minder tijd had om verzadigingssignalen te verwerken.
- Textuur en mondgevoel: zacht, vezelarm voedsel vraagt minder kauwen en leidt mogelijk tot minder verzadiging.
- Voedselstructuur: ultrabewerkt voedsel is vaak zo samengesteld dat het de beloningscentra in de hersenen prikkelt.
Deze studie leverde het eerste causale bewijs dat ultrabewerkt voedsel aanzet tot overeten, ook als het op papier “gezond” lijkt.
Is ultrabewerkt voedsel dan verslavend?
Twee jaar later, in 2021, publiceerde Hall een artikel waarin hij onderzocht of ultrabewerkt voedsel verslavend is in dezelfde zin als nicotine of cocaïne. Hij bekeek daarvoor een aantal wetenschappelijke criteria voor verslaving: tolerantie, ontwenning, controleverlies, craving, schadelijk gebruik, enzovoort.
Zijn conclusie: ultrabewerkt voedsel leidt tot overconsumptie, maar is niet verslavend op de manier waarop harddrugs dat zijn. Het veroorzaakt geen fysieke ontwenning, en de neurologische effecten verschillen duidelijk van die van verslavende middelen. Het is wel mogelijk dat bepaalde individuen verslavingsachtig eetgedrag ontwikkelen, vooral in combinatie met stress, slaaptekort of andere psychologische factoren.
Wat betekent dit voor onze voeding?
De implicaties van Halls werk zijn groot. Veel voedingsrichtlijnen richten zich nog steeds op calorieën of afzonderlijke voedingsstoffen. Halls onderzoek laat zien dat de mate van bewerking van voedsel minstens zo belangrijk is. Zelfs als twee maaltijden op papier identiek zijn qua voedingswaarde, kan de vorm waarin ze worden aangeboden ons eetgedrag fundamenteel veranderen.
Bronnen
- Hall, K.D., et al. (2019). Ultra-Processed Diets Cause Excess Calorie Intake and Weight Gain: An Inpatient Randomized Controlled Trial of Ad Libitum Food Intake. Cell Metabolism, 30(1), 67–77.e3. https://doi.org/10.1016/j.cmet.2019.05.008
- Hall, K.D., & Kahan, S. (2021). Is Ultra-Processed Food Addictive? Obesity (Silver Spring), 29(9), 1211–1213. https://doi.org/10.1002/oby.23271
