Een internationale groep voedingswetenschappers presenteert een nieuwe voedselpiramide voor menselijke én planetaire gezondheid. Groenten, fruit, kwalitatief goede koolhydraten en plantaardige eiwitten vormen de basis. Vlees verdwijnt niet, vet is niet de vijand en ook voedselbewerking wordt niet simpelweg als ongezond bestempeld. Vooral de aandacht voor substitutie, glycemische respons en de fysieke structuur van voedsel maakt deze piramide interessant.
De voedselpiramide is terug.
Wie in de jaren negentig voedingsvoorlichting kreeg, kent het beeld. Onderaan brood, granen en andere basisproducten, ergens in het midden groente, fruit, zuivel en vlees, en bovenaan de producten waarvan we vooral niet te veel moesten eten.
Daarna raakte de piramide uit de mode. Borden, schijven en cirkels namen het over. In Nederland kennen we de Schijf van Vijf, de Verenigde Staten kregen MyPlate en Canada koos eveneens voor een bord.
Nu stelt een internationale groep van 24 voedingswetenschappers een nieuwe International Food Guide Pyramid voor. Het artikel van Karen Della Corte en collega’s is in september 2026 geaccepteerd voor publicatie in Advances in Nutrition. De versie die nu beschikbaar is, is een Journal Pre-proof: het manuscript is geaccepteerd, maar moet nog door de laatste copyediting en productie voordat de definitieve versie verschijnt.
main.pdf
Het is bepaald geen klein gezelschap. Onder de auteurs bevinden zich onder anderen Walter Willett, David Jenkins, Jennie Brand-Miller, Arne Astrup en verschillende onderzoekers die al decennia werken aan voedingspatronen, glycemische index, diabetes en cardiovasculaire gezondheid.
Hun centrale boodschap laat zich verrassend eenvoudig samenvatten:
eet vooral planten, maar beoordeel voedsel niet alleen op voedingsstoffen. Kijk ook naar bron, structuur, vervanging en het totale voedingspatroon.
Dat laatste maakt deze nieuwe piramide interessanter dan het plaatje alleen doet vermoeden.
Groenten en fruit weer onderaan
De voorgestelde piramide is plant-forward, maar niet vegetarisch of veganistisch.
De brede basis wordt gevormd door groenten en fruit en door volkoren en traditionele laag-glycemische koolhydraatbronnen. Daarboven krijgen peulvruchten, noten, zaden en soja een prominente plaats als plantaardige eiwitbronnen. Plantaardige oliën rijk aan onverzadigde vetzuren worden eveneens nadrukkelijk aanbevolen.
Vis, gevogelte, eieren en zuivel passen vervolgens in bescheiden hoeveelheden in het voedingspatroon. Rood en verwerkt vlees, geraffineerde granen, boter en andere dierlijke vetten, suikerhoudende dranken, snoep, chips en veel zout belanden aan de kleine kant van de piramide: use sparingly.
Op pagina 56 van het paper is de traditionele piramide te zien. Onderaan staan letterlijk “Vegetables & Fruits” en “Whole & Low GI Grains”. Plantaardige eiwitten nemen een opvallend grote positie in. Zuivel, vis, kip en eieren zijn zichtbaar aanwezig, maar aanzienlijk kleiner. Helemaal bovenin staan onder meer rood vlees, frisdrank, geraffineerde graanproducten en boter. Het model is dus niet anti-dierlijk. Het is vooral plantaardig met dierlijke voedingsmiddelen als aanvulling.
Geen nieuw mega-onderzoek
Voordat we van deze piramide een nieuwe voedingswaarheid maken, is het belangrijk te begrijpen hoe hij tot stand kwam.
Dit is geen nieuwe gerandomiseerde voedingsstudie. Het is ook geen nieuwe systematische review waarin alle beschikbare voedingsliteratuur opnieuw volgens vooraf vastgelegde criteria is beoordeeld. De auteurs noemen hun werk een:
“evidence-informed, consensus-based narrative synthesis and conceptual framework.”
Ze werken in vier stappen. Eerst kozen ze een bestaand kwantitatief model: het EAT-Lancet-referentiedieet. Vervolgens vergeleken ze belangrijke voedingsrichtlijnen uit onder meer Canada, de Verenigde Staten, Europa, China en Australië. Daarna vulden ze dit aan met systematische reviews, meta-analyses, grote cohortstudies en gerandomiseerde onderzoeken. Ten slotte vertaalden de auteurs dit via consensus naar de nieuwe piramide.
Vooral dat eerste punt is relevant. De hoeveelheden en onderlinge verhoudingen van de voedselgroepen zijn in belangrijke mate ontleend aan EAT-Lancet. Dat model probeert niet alleen menselijke gezondheid te optimaliseren, maar combineert die met ecologische duurzaamheid.
De piramide moet daarom niet worden gelezen als een experimenteel bewezen optimaal dieet. Het is een wetenschappelijk onderbouwde synthese van verschillende bewijsstromen en bestaande richtlijnen. Dat is iets bescheidener, maar nog altijd relevant.
Niet méér eiwit, maar beter kiezen
Interessant is bijvoorbeeld de eiwitdiscussie. De afgelopen jaren zijn eiwitrijke producten bijna een afzonderlijke voedingscategorie geworden. Van yoghurt en repen tot ontbijtgranen en chocolademelk: overal staat tegenwoordig high protein op.
Della Corte en collega’s zijn daar terughoudend over.
Voor de meeste volwassenen blijft volgens hen de bekende eiwitbehoefte van ongeveer 0,8 gram per kilogram lichaamsgewicht per dag voldoende. Ze erkennen tegelijkertijd dat een hogere eiwitinname nuttig kan zijn voor onder andere ouderen en tijdens gewichtsverlies, bijvoorbeeld voor behoud van vetvrije massa.
Maar voor de algemene bevolking willen ze de discussie vooral verschuiven van hoeveel eiwit? naar waar komt dat eiwit vandaan?
Peulvruchten, noten, zaden en soja krijgen daarom een prominente positie. Vis en gevogelte worden boven rood vlees geplaatst. De auteurs baseren dat mede op substitutiestudies: gezondheidseffecten hangen niet alleen samen met wat iemand minder eet, maar vooral met wat ervoor in de plaats komt.
Dat principe loopt als een rode draad door het hele paper. Minder boter zegt bijvoorbeeld weinig wanneer iemand die boter vervangt door een product met geraffineerd zetmeel en suiker. Minder rood vlees is niet automatisch gunstig wanneer daarvoor een nutritioneel arm product in de plaats komt.
Voedingswetenschap gaat dus niet alleen over weglaten. Ze gaat over vervangen.
De comeback van de koolhydraat
Misschien wel het opvallendste onderdeel van het paper is de rehabilitatie van kwalitatief goede koolhydraten. Koolhydraten worden niet als één categorie behandeld.
Volkoren granen krijgen een belangrijke plaats, maar daarnaast introduceren de auteurs nadrukkelijk de glycemische index én voedselstructuur als kwaliteitscriteria. En daar wordt het technologisch interessant.
Een graankorrel bestaat niet alleen uit zetmeel, eiwit en vezels. Die stoffen bevinden zich in een fysieke biologische structuur. Celwanden kunnen enzymen hinderen om het zetmeel snel te bereiken.
Malen verandert die structuur. De auteurs beschrijven een continuüm van intacte graankorrels via grof gebroken graan tot fijn meel. Hoewel al deze producten chemisch als volkoren kunnen worden geclassificeerd wanneer zemel, kiem en endosperm behouden blijven, gedragen ze zich niet noodzakelijk hetzelfde in ons spijsverteringsstelsel.
Intacte en minimaal verwerkte granen veroorzaken in het algemeen een lagere glycemische respons. Fijn malen beschadigt de plantaardige celstructuur en maakt zetmeel beter toegankelijk voor verteringsenzymen.
Dat levert een op het eerste gezicht merkwaardige situatie op. Een product kan 100 procent volkoren zijn en toch een relatief snelle glycemische respons veroorzaken. En andersom kan een geraffineerd graanproduct metabool verrassend langzaam zijn.
Waarom witte pasta niet hetzelfde is als wit brood
Pasta is daarvan het mooiste voorbeeld. Witte durumtarwepasta bevat niet noodzakelijk de zemelen die we met volkoren associëren. Toch heeft pasta doorgaans een lagere glycemische index dan veel broodproducten.
Waarom? Structuur.
Bij pasta van durumtarwe blijven relatief grote delen van de endospermcellen intact. Het zetmeel is daardoor minder snel toegankelijk. Bij brood van zeer fijn gemalen meel kan die structuur veel sterker zijn vernietigd. Het paper merkt daarom expliciet op dat zowel wit als volkorenbrood een hogere glycemische respons kan geven wanneer het graan zeer fijn is vermalen.
Daarmee ontstaat een veel interessantere voedingskundige vraag dan:
Is het volkoren of wit?
De vraag wordt:
In welke fysieke matrix bevinden de nutriënten zich wanneer wij het product opeten?
Suiker is eveneens niet één ding
Dezelfde redenering passen de auteurs toe op suiker. Ook hier verzetten ze zich tegen een uitsluitend chemische (stofjes) benadering.
Fructose in een appel bevindt zich in een totaal andere voedingsmatrix dan fructose in frisdrank. De moleculen kunnen chemisch identiek zijn, maar het voedingsmiddel is dat fysiologisch niet.
Hele vruchten leveren naast suikers vezels, micronutriënten en bioactieve verbindingen. De fysieke structuur beïnvloedt bovendien de snelheid waarmee voedingsstoffen beschikbaar komen.
Suikerhoudende frisdranken krijgen daarom een aparte en zeer ongunstige positie. Voor vruchtensap is het beeld genuanceerder: een bescheiden hoeveelheid 100 procent vruchtensap wordt in de aangehaalde studies doorgaans niet met ongunstige cardiometabole uitkomsten geassocieerd, terwijl hogere innames dat wel kunnen zijn. Hele vruchten hebben duidelijk de voorkeur.
De auteurs gaan zelfs een stap verder. Volgens hen is het wetenschappelijk onvoldoende om suiker uitsluitend te beoordelen met categorieën als added sugar en free sugar. Voedselbron, matrix en glycemische respons geven aanvullende informatie.
Dat is een behoorlijk belangrijke verschuiving.
Vet is evenmin één voedingsmiddel
Ook de oude discussie over vet krijgt een meer volwassen formulering.
De auteurs vinden nog steeds dat verzadigde vetten zoveel mogelijk moeten worden vervangen door onverzadigde vetten. Plantaardige oliën zoals olijf-, koolzaad-, soja- en zonnebloemolie krijgen daarom een duidelijke plaats in de piramide.
Maar ook hier telt de vervanging. Verzadigd vet vervangen door geraffineerde koolhydraten levert volgens de besproken literatuur weinig cardiovasculair voordeel op. Vervanging door meervoudig of enkelvoudig onverzadigde vetten of door kwalitatief goede koolhydraten levert een gunstiger beeld.
En opnieuw duikt de matrix op. Zuivelvet verhoogt LDL-cholesterol, maar yoghurt en kaas laten in observationele studies regelmatig neutrale of bescheiden gunstige associaties zien. De auteurs wijzen erop dat het effect van een voedingsmiddel blijkbaar niet volledig uit het percentage verzadigd vet kan worden voorspeld. Fermentatie en voedselmatrix kunnen mede relevant zijn.
Een gram verzadigd vet is chemisch nog steeds een gram verzadigd vet. Maar boter, kaas en yoghurt zijn niet hetzelfde voedingsmiddel.
En dan de olifant in de supermarkt: ultrabewerkt voedsel
Op dit punt neemt het paper een interessante positie in. De auteurs ontkennen de problematiek rond moderne sterk geformuleerde voedingsmiddelen niet. Ze verwijzen naar onderzoek naar ultrabewerkte voeding en erkennen dat veel producten grote hoeveelheden geraffineerd zetmeel, suiker, verzadigd vet en zout combineren.
Maar vervolgens maken ze een belangrijk onderscheid:
processing is niet hetzelfde als nutritional deterioration.
Koken is processing. Fermenteren is processing. Pasteuriseren en steriliseren zijn processing. Invriezen en inblikken eveneens.
Die technieken kunnen voedsel veiliger maken, houdbaarheid verlengen, voedselverspilling beperken en gezonde producten juist gemakkelijker beschikbaar maken.
Daarom bouwen de auteurs hun voedselpiramide expliciet niet op een classificatie naar de mate van bewerking. Ze kijken naar wat verwerking daadwerkelijk met het voedingsmiddel doet.
Verdwijnt vezel?
Verdwijnt structuur?
Wordt zetmeel gemakkelijker toegankelijk?
Worden grote hoeveelheden suiker, zout of verzadigd vet toegevoegd?
Of wordt een voedzaam product juist veiliger en langer houdbaar zonder zijn nutritionele eigenschappen wezenlijk te verliezen?
Dat zijn wezenlijk andere vragen dan simpelweg tellen hoeveel industriële bewerkingsstappen een product heeft ondergaan.
De auteurs formuleren uiteindelijk een interessant uitgangspunt voor voedselinnovatie: probeer de nutritionele integriteit en lage glycemische eigenschappen van voedingsmiddelen tijdens verwerking zoveel mogelijk te behouden.
Voor voedingsmiddelentechnologen is dat misschien wel een van de interessantste zinnen van het hele paper.
De planeet staat ook aan tafel
De titel spreekt niet alleen over human health, maar nadrukkelijk over planetary health. Dat is geen bijzaak aldus de auteurs.
Volgens de auteurs veroorzaakt het mondiale voedselsysteem ongeveer een derde van de antropogene broeikasgasemissies en heeft het daarnaast grote effecten op landgebruik, zoetwater, biodiversiteit en stikstof- en fosforstromen. Vooral herkauwers hebben gemiddeld een relatief hoge klimaat- en landvoetafdruk.
Daarom sluit de piramide nauw aan bij EAT-Lancet. Dat verklaart mede waarom plantaardige eiwitbronnen zo prominent zijn en waarom de hoeveelheid rood vlees zeer klein is. De EAT-Lancet-referentie waarop de auteurs zich baseren komt voor onbewerkt rood vlees uit rond 14 à 15 gram per dag gemiddeld, grofweg een portie per week.
Dat is belangrijk bij de interpretatie van de piramide. Hij probeert twee doelstellingen tegelijkertijd te bedienen: chronische ziekten voorkomen én het voedingspatroon ecologisch beter schaalbaar maken.
Geen dieet voor iedereen
De auteurs benadrukken ook een beperking die in de populaire vertaling van voedingsrichtlijnen gemakkelijk verdwijnt.
Dit is population-level dietary guidance.
Het is geen persoonlijk dieet advies. Een kind, topsporter, zwangere vrouw, kwetsbare oudere, iemand die wil afvallen en iemand met diabetes hoeven niet exact hetzelfde te eten. De auteurs noemen leeftijd, geslacht, lichaamsgrootte, lichamelijke activiteit en fysiologische toestand expliciet als factoren die individuele behoeften beïnvloeden.
Ook veganisme past binnen het model, maar dan moet bijvoorbeeld expliciet aandacht worden besteed aan vitamine B12 en eventueel andere nutriënten. De piramide is daarmee eerder een richtingaanwijzer dan een receptenboek.
Misschien is vooral de manier van denken nieuw
Wie alleen naar het plaatje kijkt, zou kunnen concluderen dat er weinig nieuws onder de zon is. Eet groenten en fruit. Kies volkoren. Eet peulvruchten en noten. Gebruik plantaardige olie. Eet af en toe vis. Beperk rood vlees, frisdrank, snoep en chips.
Dat hebben we vaker gehoord.
Maar onder dat betrekkelijk conventionele plaatje zit een interessantere voedingskundige gedachte. Niet één nutriënt bepaalt of een voedingsmiddel gezond is. Niet één label als plantaardig, volkoren, natuurlijk of ultrabewerkt vertelt het hele verhaal.
En ook één voedingsmiddel op zichzelf zegt minder dan het voedingspatroon waarin het terechtkomt. De nieuwe piramide vraagt steeds:
Wat eet je? In welke structuur? In welke hoeveelheid? Wat vervangt het? En waarvan maakt het deel uit?
Daarmee verschuift de voedingswetenschap langzaam van reductionisme naar systeemdenken. Een koolhydraat is niet zomaar een koolhydraat. Eiwit is niet zomaar eiwit. Vet is niet zomaar vet. En processing is niet automatisch een probleem.
Het voedingsmiddel is een fysieke, chemische en biologische matrix die tijdens verwerking verandert en vervolgens deel gaat uitmaken van een compleet voedingspatroon.
Misschien is dát uiteindelijk de interessantste boodschap van deze nieuwe voedselpiramide. Niet dat we opnieuw een driehoek nodig hebben om te vertellen wat we moeten eten.
Maar dat achter die eenvoudige driehoek een steeds complexer begrip ontstaat van waarom voeding doet wat voeding doet.
En dat is voor zowel voedingswetenschappers als voedingsmiddelentechnologen misschien interessanter dan de piramide zelf.
Bron: K.A. Della Corte et al., Toward International Dietary Guidance: A Food Guide Pyramid for Human and Planetary Health, Advances in Nutrition, geaccepteerd 17 september 2026,
